Het leven van striptekenaar Merel Barends (1980) kwam volledig op zijn kop te staan toen haar broertje van twaalf zelfmoord pleegde. Jarenlang worstelde Merel met het verdriet en de onmacht. Echter, toen ze besloot om deze heftige gebeurtenis als uitgangspunt te nemen voor een stripverhaal, raakte ze verwikkeld in een hele andere strijd – tegen zichzelf.

(Interview: Vincent Mirck, 2019)

“Het idee ontstond toen ik een kop koffie dronk met Mara Joustra, redactrice van stripboekenuitgeverij Oog en Blik. Ze kende mijn stijl en wilde graag samenwerken. Ik liet haar mijn ‘graphic short story’ van 33 pagina’s lezen, die ik had gemaakt als afstudeerproject. Ik dacht: misschien kan ik daar een nieuwe versie van maken en uitgeven als debuut. Maar opeens ze stelde een prikkelende vraag: “Wat is het belangrijkste verhaal dat je te vertellen hebt?” Tja, toen kwam er natuurlijk maar één ding naar boven: de zelfmoord van mijn broer. Hij was op dat moment al tien jaar dood, maar ik was er nog steeds dagelijks mee bezig. Die gebeurtenis riep de meeste vragen op en had de grootste impact op mijn hele familie. Ik móést dit verhaal vertellen.

Ik ben vol energie bezig gegaan, maar helaas véél te grondig. Het was heftig om na tien jaar terug te gaan in die sfeer. Waar moest ik beginnen? Ik heb tot op de dag van vandaag geen idee waarom hij het gedaan heeft. Niemand weet dat, behalve hij en hij is dood. Mijn ambitie was om in zijn hoofd te kruipen, rond te lopen in zijn gedachten. Via die weg hoopte ik een antwoord te vinden op de waaromvraag. Totaal onmogelijk natuurlijk, maar ik wilde het tóch voor elkaar krijgen.

Ik greep naar de vorm die het dichtst bij mij stond: een beeldroman. En dat was gek genoeg niet helemaal vanzelfsprekend. Ik had namelijk expres dit zware thema nog niet eerder in mijn werk gebruikt. Ik was destijds een fel tegenstander van kunst als therapie. Ik geloofde niet dat je allerlei nare dingen kon verwerken door er kunstwerken over te maken. Bij het vreselijke woord ‘verwerken’ dacht ik vooral aan afvalverwerking.

Het lukte om een subsidie bij het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst te krijgen. Ook kreeg ik volop begeleiding van de uitgeverij, die inmiddels was ingelijfd door De Bezige Bij. Daardoor kon ik bijna twee jaar fulltime werken aan dit gigantische project. Een buitenkans, maar ondanks die luxe bleek het vooral ook een hele heftige tijd.

Wat ging er mis? Ik had me verkeken op hoe zwaar en emotioneel dit onderwerp is. Ik pakte het vanaf het eerste moment enorm gedegen aan, wilde niks aan het toeval overlaten. Kortom, ik maakte het mezelf veel te moeilijk. Steeds weer stelde ik mezelf die ene vraag: wat is de allerbeste manier om dit verhaal te vertellen? Dit werd mijn debuutroman, dus alles moest helemaal perfect zijn. Het perfectionisme nam de boel over. Dat werd belangrijker dan het onderzoek en het verhaal zelf.

Ik had gekozen voor een fictieve hoofdpersoon: Olaf. Ik wilde een jaar uit zijn leven laten zien, van zijn elfde verjaardag tot en met zijn twaalfde. Dat betekende dat alle seizoenen erin voor moesten komen. Ik had verschillende scènes bedacht waarin hij lekker in zijn T-shirtje buiten speelt of juist met een dikke jas in de sneeuw. Ik wilde laten zien wie hij was of wie hij had kunnen zijn. Maar daar bleef het niet bij. Ik had uitgebreide ideeën over de personages die om hem heen leefden. Zij kregen allemaal een eigen achtergrondverhaal, een eigen karakter. En zo leek ik uiteindelijk wel bezig met het schrijven van een tv-serie van talloze seizoenen.

Ik heb wel twintig versies van het scenario geschreven voordat er ook maar één tekening op papier stond. En toen ik eenmaal begon te tekenen, kwam ik terecht in de volgende uitdaging: het storyboard. Ik verdeelde een A4’tje in negen vakjes. Daarin schetste ik hoe ik het verloop van het verhaal in beeld wilde brengen. Maar helaas pakte ik dat véél te nauwkeurig aan. Al die kleine plaatjes werden bijna ‘affe’ tekeningen, vol kleine details en minutieuze afwerkingen.

Maandenlang zat ik te zwoegen op de vormgeving. De mogelijkheden in een strip zijn namelijk oneindig. Je hebt geen begrenzingen zoals bij camera’s of computereffecten. Elk perspectief kun je kiezen: close-up, ver weg, met of zonder achtergrond. Als je een draak uit een meer wil laten kruipen, dan teken je dat gewoon. Ik draaide door. Die oneindige hoeveelheid aan opties heeft mij de das omgedaan. Het lukte niet meer om keuzes te maken. Ik had me helemaal vast getekend.

Na twee jaar is het project langzaamaan in een la terecht gekomen. Het was lastig los te laten, maar ik wilde verder. Er lagen andere mooie klussen te wachten en ik moest ook geld verdienen. Jarenlang was ik ervan overtuigd dat ik ooit de tijd en focus zou vinden om er opnieuw mee aan de slag te gaan. Ik heb het trouwens nooit gezien als verloren tijd. Ik heb veel geleerd over mezelf en over mijn werkproces. En ja, het project bleek tóch therapeutisch te werken, of ik dat nou wilde of niet. Het was onvermijdelijk.

In 2014 deed ik enkele opdrachten voor NRC Media. Ze draaiden toen een jaar lang het proefproject Mindshakes. Dat was een online platform met aantrekkelijke content, speciaal bedoeld voor millennials, mensen die geboren zijn tussen 1980 en 2000. Het moest een soort kruising worden tussen De Correspondent en Vice. Er stonden veel persoonlijke verhalen op, mooi vormgegeven, vlot geschreven.

De redactie van Mindshakes belde me op. Ze wilde graag een beeldverhaal wijden aan zelfmoordpreventie. Ze klopten bewust bij mij aan, omdat ze mijn historie kenden. Het gesprek verliep heel respectvol. Ze benadrukten dat ik er geen persoonlijk verhaal van hoefde te maken als ik dat niet zag zitten. Toch hoefde ik er niet lang over na te denken. Ik zag deze opdracht juist als een aansporing om mijn ultieme verhaal alsnog te vertellen, maar dan in een andere vorm.

Deze klus had een aantal belangrijke beperkingen: het verhaal moest gaan over zelfmoordpreventie, het moest een jonge doelgroep aanspreken en het moest goed leesbaar zijn op een mobieltje. Ook lag er een duidelijke deadline. Juist die kaders maakten het voor mij overzichtelijk. Daardoor kon ik veel makkelijker keuzes te maken. Binnen twee maanden was ik klaar.

Ik wilde dit verhaal vanuit mijn perspectief vertellen. Dat was meteen al een essentieel verschil met mijn beeldroman. Geen kansloze pogingen meer om in iemand anders’ hoofd te kruipen. Het was tijd om mijn eigen emoties en gedachten te delen. Mensen die suïcidaal zijn, voelen zich een last voor de omgeving, ze denken dat het beter is als ze er niet meer zijn. Ik wilde laten zien dat de impact van zelfmoord voor de nabestaanden gigantisch is. Niks romantiseren, maar laten zien hoe verschrikkelijk het is. Ik wou begrip kweken voor de mensen die achterblijven met de pijn, de woede, de vragen.

De doelgroep millennials was ook zeer bepalend. Ik moest aansluiten op het leesgedrag van jongeren, dus de boodschap moet ‘snappy’ vormgegeven zijn, kort en krachtig. De inhoud moet zo goed mogelijk aansluiten bij hun belevingswereld. Hoe persoonlijker, hoe beter. Het voelde best ongemakkelijk om mezelf op te voeren als hoofdpersoon in de strip. Ik was bang dat het een soort ego-show zou worden. Maar ik besloot gewoon zo eerlijk mogelijk te zijn. Eigenlijk moest ik publiekelijk toegeven dat ik gefaald had. Natuurlijk, iedereen zal zeggen dat ik dat niet zo moet zien, maar dat voelt wel zo. Ik stelde me extreem kwetsbaar op. Veel kwetsbaarder dan in het verhaal over Olaf dat in de la lag.

De redactie bracht me in contact met de stichting 113 online, die landelijk aandacht vraagt voor zelfmoordpreventie. Ik sprak daar een psycholoog en iemand van de afdeling communicatie. Ze gaven me interessante cijfers en gegevens, maar ook adviezen over hoe je het beste kunt omgaan met suïcidale mensen. Die input gebruikte ik als aanvulling op mijn persoonlijke verhaal. In feite ging ik op zoek naar de manieren waarop ik hem toen had kunnen helpen. Helaas, twintig jaar te laat.

De mensen van 113 leerden me ook wat de impact is om in de media te spreken over suïcide. Zo is het ronduit gevaarlijk om teveel sympathie te tonen voor de zelfmoordenaar. Door hardop te zeggen dat je zelfdoding een dappere keus vindt, geef je mensen die spelen met de gedachte, het gevoel dat ze heldhaftig zijn. En als je benoemt hoe iemand het gedaan heeft, breng je wanhopige mensen op ideeën. Niet doen dus. Na de dood van Antonie Kamerling werd in de media bijvoorbeeld veel gesproken over zijn  ‘dappere besluit’. Al die aandacht leidde tot een significante stijging in het aantal zelfdodingen. Na de zelfmoord van Joost Zwagerman was er in de media gelukkig veel meer focus op de rauwe emoties, zoals woede, onbegrip en verdriet.

Zodra ik de inhoud voor mijn strip rond had, was de vorm nog steeds een uitdaging. Maar door de specifieke opdracht werd die opeens heel behapbaar. Het proces werd gevormd door de parameters waarbinnen ik moest werken. Als je een strip maakt voor mobiele apparaten, is je speelruimte beperkt: je hebt een vast formaat, je kan geen ellenlange boodschappen kwijt.

Binnen die grenzen heb ik geprobeerd het eindproduct zo goed mogelijk te maken. Het ‘waarom-monster’ speelt een belangrijke rol in het verhaal. Dat had ik met simpele inktlijntjes kunnen tekenen, maar nee: dat blauwe beest moest er gewoon supermooi uitzien. De rest heb ik bewust eenvoudig gehouden, omdat mobiel een snel medium is: je leest het en het is weg. Je skipt snel door de plaatjes heen. Waarom zou ik dan een uitgebreide achtergrond tekenen? Door bijzaken weg te laten, bleef alleen de essentie over. Dat versterkte zowel de vorm als de boodschap.

In januari 2015, na de publicatie op Mindshakes, regende het positieve, lieve reacties. Veel nabestaanden en mensen die suïcidale mensen in hun omgeving hebben, staken me een hart onder de riem. Ik mocht een video van het stripverhaal maken, evenals een Engelstalige versie die een plek vond bij tientallen internationale zelfmoordpreventie-organisaties. De strip is duizenden keren gedeeld.

Stel dat ik die beeldroman over Olaf had afgemaakt, dan had ik daar misschien vijf jaar aan gewerkt. Uiteindelijk zou die gedrukt zijn in een oplage van maximaal 1.500 exemplaren, want ja dat zijn de hoeveelheden in de huidige stripwereld. Zeker bij een debuut! Als je mazzel hebt, wordt het een bescheiden succesje, maar dan nog praten we echt niet over tienduizenden exemplaren.

Mijn strip over het ‘waarom-monster’ heeft me nóg meer doen beseffen dat ‘online’ een fijner werkveld is dan papier. Mijn creativiteit raakt geprikkeld door de begrenzingen van het medium. Ik doe sindsdien ook veel stripjournalistiek, waarbij ik eigen gekozen thema’s uitdiep in de vorm van tekeningen. Zo publiceer ik over feminisme of dierenwelzijn. Mijn aanpak is trouwens niet gewijzigd: ik begin nog steeds 100% met de inhoud. Ik schrijf eerst een rotsvast scenario, daarna teken ik een uitgebreid storyboard en dán pas begin ik aan het eindproduct.”

Naar het overzicht: interviews